Schommels en veiligheid


Schommel & NEN Normen 1176

Extra aandachtspunten voor een schommels op openbare speelgelegenheden.
Een schommel is een toestel waar de gebruiker onder het ophangpunt zit en een slingerende beweging maakt. Er zijn verschillende uitvoeringen:
· schommel met één draaias en een of meer zittingen naast elkaar;
· schommel met twee draaiassen, bijvoorbeeld een familieschommel;
· schommel met een ophangpunt, bijvoorbeeld een bandenzwengel.
 
Voor schommels gelden de 'Eisen voor alle speeltoestellen'. Daarnaast gelden er voor schommels extra eisen:
EN 1176-2: Aanvullende bijzondere veiligheidseisen en beproevingsmethoden voor schommels.

Vingerbeknelling
Om het afklemmen van vingers te voorkomen mag de afstand tussen de schakels van een ketting maximaal 8,6 mm zijn. De opening van ringen bij de verbinding van kettingen met andere onderdelen moet minimaal 12 mm zijn. Kettingen kunnen het beste afgedekt worden met een hoes.

Ruimte om een schommel
· de vrije ruimte van de schommel mag niet overlappen met die van andere toestellen. De vrije ruimte van een schommel bedraagt 1400 mm rondom het midden van het schommelzitje. Deze vrije ruimte is niet alleen aanwezig als het zitje in rust is. Het is overal aanwezig waar het zitje kan zijn als het in gebruik is. De afmeting van de vrije ruimte is gebaseerd op een zittende gebruiker. Dit is voldoende omdat er vanuit kan worden gegaan dat een kind bij het schommelen de touwen vasthoudt en niet of nauwelijks met de armen buiten het schommelgebied zal komen;
· plaats schommels niet in looppaden en het liefst aan de buitenkant van de speelgelegenheid;
als een schommel gecombineerd wordt met een ander toestel moeten deze goed van elkaar gescheiden worden door bijvoorbeeld hekken. Daarnaast moet er voldoende ruimte om de schommel heen zijn om er makkelijk omheen te lopen.
 
Hekken
Hekken rond een schommel zijn niet verplicht. Als er veel botsongevallen voorkomen dan kunnen er hekken geplaatst worden om de schommel. De hekken dienen ruim om de schommels heen te staan zodat kinderen die van de schommel afspringen niet op het hek kunnen springen. Het hek moet ook moeilijk beklimbaar zijn zodat kinderen er niet bovenop gaan zitten. Hierdoor zou de situatie gevaarlijker kunnen worden. Er moet ook voldoende afstand zijn tussen hekken/muur en de schommelstelling. Er is geen harde eis voor de afstand tussen de schommelstelling en de muur of het hek (als de schommel parallel aan de muur staat). Wij adviseren daarvoor 1,5 meter te hanteren. Dit is de minimale vrije ruimte rondom een speeltoestel.

Botsen
Botsen is een van de grootste problemen bij schommels. Om ernstige botsingen te voorkomen kunnen er verschillende maatregelen genomen worden:
· de kettingen of kabels moeten naar boven wijder uit lopen zodat de schommel minder zijwaarts kan bewegen;
· looproutes mogen de vrije ruimte niet doorkruisen;
· het schommelzitje moet schokdempend zijn en zo licht mogelijk uitgevoerd. Hiervoor staan testen in de Europese normen opgenomen;
· randen van het zitje moeten worden afgerond;
· schommelzitjes moeten flexibel opgehangen worden zodat een botsing een minder ernstig effect heeft.

Stabiliteit / stevigheid
De verbindingen van een schommel moeten zodanig vastzitten dat ze alleen met gereedschap los te maken zijn. Ook kettingen en kabels kunnen het beste op deze manier worden vastgemaakt.
Een éénpuntsophanging kan het beste voorzien worden van een reserve ophanging. Deze kan de schommel dragen als de hoofdverbinding mocht bezwijken.
Verder is het belangrijk dat er geen ongewenste beweging zit in de constructie, met name bij belast zwaaien. Bewegende delen moeten op slijtage gecontroleerd worden.
 
Hoogte van het schommelzitje
Schommelzitjes moeten minimaal 350 mm boven de grond hangen (in rustpositie).
Banden van een bandenschommel moeten minimaal 400 mm boven de grond hangen.
Een advies om goed te kunnen op- en afstappen is het zitje maximaal 635 mm van de grond te hangen.

Afstand tussen schommelzitje en de paal
De afstand tussen het zitje van de schommel en de paal moet groter of gelijk zijn aan: 1/5 x A + 200 mm.
Een andere schrijfwijze voor de zelfde formule is 20% A + 200mm.
A = de lengte van het schommeltouw.
Uit oogpunt van botspreventie raden we aan het frame van de schommel zodanig te ontwerpen dat het niet uitnodigt tot beklimming.
 
Afstand tussen twee schommelzitjes
De minimale horizontale afstand tussen naast elkaar hangende schommels in de rustpositie moet groter of gelijk zijn aan: 1/5 x A + 300 mm.

Een andere schrijfwijze voor de zelfde formule is 20% A + 300 mm.
A = de lengte van het schommeltouw.
Deze formule kan voor beide schommels anders zijn. Dan geldt natuurlijk de grootste afstand.
Er mogen maximaal 2 zitjes per deel van de schommelconstructie zitten. Kinderen zullen hierdoor minder vaak oversteken als de schommel in gebruik is.
 
Zitjes en peuterzitjes
Om vallen te voorkomen kunt u ervoor zorgen dat de zitting een geschikte maat heeft. Een breedte tussen de 350 en 500 mm en een diepte van 200 mm zijn ergonomisch gezien geschikte maten. Kleine kinderen kunnen beter gebruikmaken van speciale peuterzitjes waar een leuning op zit. De zitting moet zodanig zijn bevestigd dat een stabiele ophanging wordt verkregen, bijvoorbeeld door middel van een triangelophanging. Peuterzitjes moeten zo gemaakt zijn dat jonge kinderen er niet uit kunnen glijden.
Het wordt afgeraden om in 1 frame zowel een peuterzitje als een gewoon schommelzitje te gebruiken.

Ophanging van de zitjes
De maat tussen de twee ophangpunten van de schommel bedraagt G + 1/20 A 
A = lengte van de ketting of touw
G = maat tussen de twee bevestigingspunten aan het zitje.
 
Schommels met starre ophanging worden sterk afgeraden. Als een kind een dergelijke schommel tegen het hoofd krijgt is er kans op ernstig hoofd en hersenletsel. In de Europese norm staat ook dat deze soort ophanging niet gebruikt moet worden. Indien een schommel niet op een andere manier opgehangen kan worden moet met een risicoanalyse worden aangegeven dat de schommel toch veilig is. Toezicht en een afscherming om de schommel kunnen het gebruik van een dergelijke schommel veiliger maken.
 
Zwaairichting van de schommel (C+D in de tekening):
Voor het bepalen van tot hoever de schokdempende bodem moet komen in de zwaairichting onder een schommel geldt de volgende formule:
(0,867 x A) + 1,75m.
A = de lengte van het schommeltouw.
· Deze uitgerekende maat moet vanaf het middenpunt onder het zitje zowel naar voren als naar achteren gebruikt worden.
· Voor schommels met maar 1 ophangpunt geldt deze maat in alle richtingen (cirkelvormige opvangzone)
· Als het bodemmateriaal is afgebakend met een rand moet 2,25 meter gebruikt worden in de formule in plaats van 1,75 meter.

Breedterichting:
Voor het bepalen van tot hoever de schokdempende bodem moet komen in de breedterichting onder een schommel geldt:
Altijd een totaalbreedte van 1,75 meter. Als het zitje breder is dan 500 mm dan moet je de extra breedte van dit zitje (wat het breder is dan 500 mm) optellen bij de 1,75 meter. 

Welk bodemmateriaal mag ik gebruiken?
Welk bodemmateriaal je kunt gebruiken onder een schommel is afhankelijk van de valhoogte (H). Hoe hoger de valhoogte is hoe beter de schokabsorptie moet zijn. 
De valhoogte (H) van een schommel moet berekend worden met de volgende formule:

H = B + 1/2 A

H = valhoogte
B = afstand van het zitje tot aan de grond als het zitje stil hangt.
A = de lengte van het schommeltouw